20. Geloof en ongeloof

Zaterdag 8 augustus 2020

Dag 2 van de 27 dagen campagne

Wendy’s coffee, Anshan

Het is een oud verhaal. 10 jaar oud om precies te zijn. Een verhaal uit Iran, uit Esfehan. Uit de tijd toen ik nog gewoon een man met een hoed was. Niet een dromer die denkt vanuit China lijsttrekker van D66 te kunnen worden.

Een verhaal over geloven en niet geloven. Nou ja, het verhaal spreekt denk ik voor zich.

Ik hoop op een glimlach. Misschien wel meer.

Groet, ton.

Schakeringen op een grasveld in Esfahan

Vrijdag 24 september 2010

Dag 18 van de Luister-en-Vertel-Tournee in Iran

Imam Square, Esfahan

Al die Iraniërs die hem over Esfahan spraken hadden gelijk: Esfahan is werkelijk een mooie stad en het Imam Square is echt iets bijzonders. Het schijnt het op één na grootste plein ter wereld te zijn. Alleen het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing is groter, Misschien is dat zo, misschien ook niet. Het doet er niet zo toe; groot is nog niet groots. 

Als hij op, over en rondom dit plein loopt raakt de man met de hoed onder de indruk van de overweldigende enormiteit ervan en van de schoonheid die er te zien is. Niet dat alles hem even mooi is, hoor; het plein heeft ook zo zijn lelijke trekjes. Alleen wenst hij daar even geen oog voor te hebben. Even wil hij ongenuanceerd genieten van wat hij ziet.

Hij kijkt naar de grootsheid op dit plein. De briljanten die er in de vrijdagmiddagse zon staan te schitteren. Aan het zuidelijke uiteinde de grote Imam Moskee. Twee minaretten staan als grote slanke poortwachters bezijden de ingang. Het gewelf dat de toegang tot de moskee erachter vormt verbindt beide minaretten.

De immense hoogte reduceert de mensen die er te vrijdaggebed gaan tot levende miniatuur poppetjes. Ter hoogte van het midden van het plein is aan de oostelijke lange zijde de mintgroene koepel van de Sheik Lotfollah Moskee te zien. Daar recht tegenover staat het Ali Qapu Paleis.

In het kort is dit het decor voor een loomwarme vrijdagmiddag. Vanmorgen vroeg is hij met de nachttrein vanuit Teheran in deze stad aangekomen. Een vriendelijke Iraniër, een coupégenoot tijdens de acht uur durende tocht, hielp hem met de bus van het treinstation ver buiten de stad naar het Azadi Plein te komen. 

Vandaar was het een rechte weg lopen naar het hotel dat hij in de reisgids had uitgezocht, het Amir Kabir Hotel aan de Chahar Bagh Abbasi Street. Een uurtje lopen, de weg slechts onderbroken door de imposante Si-o-Seh brug over de Zayande rivier. Het was nog vroeg voor een vrijdag, half negen; de stad was nog maar nauwelijks ontwaakt.

Over een verlaten Chahar Bagh Abbasi Street, langs veelal gesloten winkels, bereikte hij het Amir Kabir Hotel. Ingechekt in kamer 21, de dormitory van het hotel, eet hij ontbijt in de kleine binnenplaats.

Daar ontmoet de man met de hoed Teun en Christiaan. Teun is met een brommobiel onderweg van Nederland naar Birma. Hij laat een visitekaartje zien met daarop de route die hij aflegt, de Silkroad anno 2010.

Op zijn website, www.crazybird.nl, geeft hij een idee van zijn avontuur. Teun heeft wel gevoel voor humor en zelfspot, dat blijkt ook uit de website, en is toch serieus. Mooie combinatie. Frappante overeenkomst met de man met de hoed: Teun was ook taxichauffeur in Tilburg.

Christiaan is een 36-jarige Sloveen van Kroatische afkomst die al jaren in Hamburg woont en werkt. Hij is opgegroeid in Istrië, het ‘Italiaanse’ deel van Slovenië. De gevolgen van al die verschillende nationale achtergronden: Christiaan spreekt vloeiend Kroaats, Sloveens, Italiaans en Duits.

Gaandeweg de trialoog blijkt hij ook Engels en Spaans te beheersen. In welke taal hij zich ook uitdrukt, hij is tamelijk uitgesproken, beheerst daardoor het gesprek. De generalisaties vliegen over tafel. In zijn gedachten is er schijnbaar geen ruimte voor nuances of schakeringen. “Nou nou,” houdt Teun Christiaan voor. “Wat minder generaliseren mag ook wel, hoor. Niet alle Duitsers, Amerikanen, Europeanen of Nederlanders zijn hetzelfde.”

Reuze interessant, maar nieuwsgieriger dan naar de visie van Christiaan op Iran, Iraniërs, Europa, Duitsland en de Duitsers, Nederland en de Nederlanders, en Amerikanen is de man met de hoed nieuwsgierig met eigen ogen te zien hoe mooi dat plein in Esfahan dan wel niet is, waarover zoveel Iraniërs hem in de twee weken dat hij in dit land is in soms lyrische woorden hebben verteld.

Nou, die Iraniërs hebben niet overdreven. Oké, een beetje dan, maar dat is ze niet kwalijk te nemen. Zelf stelt de man met de hoed De Lind in Oisterwijk ook steeds mooier voor dan ze in werkelijkheid is. Hoewel? Kan dat wel? Is dat niet de mooiste straat van het allermooiste dorp van de hele wereld dan?

In de schaduw van het Ali Qapu Paleis gaat hij op het koele gras zitten. Overal over het plein verspreid zitten mensen in groepjes. Veel families zo te zien: vier tot zes volwassenen en een paar kinderen er omheen. Die zijn door hun beweeglijkheid wat moeilijker te tellen. Picknickmanden en flessen met drinken, een enkele waterpijp.

Uit megafoons vanaf de daken op de galerijen rondom het plein schallen nu en dan koranische verzen. Bij tijd en wijle ziet hij drommen mensen de moskee binnen gaan en uitkomen.

Twee Iraanse jongens komen op hetzelfde grasperk zitten. Een is in uniform; groenzwart gevlekte camouflage op het geelgroen van het gras. De ander in burger, duidelijk op zijn zondags. Beiden spreken geen Engels.

Daar komt de man met de hoed achter als ze hem na een kwartiertje aanspreken op waar hij vandaan komt.

“Hollandiye. Na Farsi baladdin,” antwoordt hij in een zin door -“Holland. Ik spreek geen Farsi.”

De nuance dat hij uit Nederland komt en niet uit Holland is in Iran al lang verloren gegaan. “Ingelesi baladdin?” -“Spreken jullie Engels?” 

Nee dus. Een moeizaam kwartier lang groeit er toch iets van een dialoog. Vooral de soldaat doet verwoede pogingen de man met de hoed iets duidelijk te maken dat deze maar niet begrijpen kan. De reeks losse op zichzelf staande woorden en korte zinnen die over en weer worden uitgewisseld verdient nauwelijks de kwalificatie dialoog. Het sterft dan ook nog voor het goed en wel van de grond is.

Een goed half uur later komen er nog twee jongens op het perk. Dezelfde openingsvraag, in goed Engels dit keer. De soldaat ziet meteen zijn kans schoon en vraagt de nieuweling die het best Engels spreekt te tolken.

Het moeizame gesprek van zojuist doen ze gevijflijk in een paar minuten over. Het begin van een boeiende en amusante quintoloog. Een echte dit keer. De onderwerpen lopen uiteen van ongevaarlijke alledaagse zaken: familie, kinderen, leeftijd, beroep, tot meer precaire topics, waarvoor de man met de hoed van tevoren was gewaarschuwd voorzichtig mee te zijn: geloof en politiek.

“Ben je christen?” wil de soldaat van de man met de hoed weten. Daar moet deze even over nadenken. Ja, hij is een christen. En een moslim. En een boeddhist, een hindoe en een jood. Hij is zelfs een atheïst.

Hij gelooft dat niemand het helemaal begrijpt, maar ook dat niemand er helemaal naast zit. Ieder weet wel een stukje van de waarheid, ieder weet nog veel meer niet. Maar ja, is dat niet te genuanceerd voor een kennismakingsgesprek op een lome vrijdagmiddag?

“Ben je christen?” herhaalt de soldaat zijn vraag. Voor de man met de hoed hoeft de jongen, waarvan hij inmiddels weet dat die waterbouwkunde studeert, dat niet nog een keer te vertalen; hij begrijpt het zo ook wel. Een idee schiet hem te binnen.

Uit zijn rode rugzak haalt hij een donkergroene plastic zak. Hij neemt er de koran uit die hij zeven jaar geleden voor 1 euro heeft gekocht bij de Witte Boekenmarkt in de Heuvelstraat in Tilburg. Het is een klein donkergroen boekje met op iedere pagina links de Nederlandse en rechts de Arabische tekst.

Het is een uitgave uit 1954 en zelfs voor die tijd archaïsch. Maar goed, de Statenbijbel blinkt ook niet bepaald uit in modern woordgebruik en de Nederlandse Grondwet moet je vaak ook twee keer lezen om te begrijpen wat er staat. En vaak nog een derde keer om te begrijpen wat er precies wordt bedoeld. Nevelig taalgebruik hoort kennelijk onvermijdelijk bij dat soort geschriften.

Hij slaat het boek open bij een van zijn favoriete passages. Een Minicard van het Limburgs Museum in Venlo met de inmiddels achterhaalde aankondiging van een jubileumtentoonstelling over Suske en Wiske, ‘De Fantasievolle Vertellers’, gebruikt hij als boekenlegger. Hij wijst de soldaat op de aangestreepte tekst en geeft hem het boek. 

Hardop leest die in het Arabisch voor: “Vermijdt in het algemeen verdenking want achterdocht is een zonde. En spioneert niet, noch belastert elkander.” Het is soera (hoofdstuk) 49, vers 13. 

Er staat nog meer in dat vers, maar dat spreekt de man met de hoed minder aan. Hij laat de soldaat niet het hele vers uitlezen. “Volgens mij wil Mohammed ons zeggen dat we elkaar vooral moeten vertrouwen. Dat wantrouwen een zonde is,” laat hij de tolk vertalen.

“Ben je moslim?” vraagt de soldaat. Hij slaat de koran dicht, geeft het boek een kus en houdt het kort tegen zijn voorhoofd, alvorens het aan de man met de hoed terug te geven. Zonder antwoord af te wachten vraagt hij door: “sunni of shiite?”

“Allebei,” antwoordt de man met de hoed, en gebaart met zijn vinger van links naar rechts: “sunni én shiite,” met de nadruk op de verbinding.

“Dat kan niet. Je bent of sunni óf shiite.”

“Jawel hoor. Kan wel. Moeilijk, heel moeilijk zelfs. Maar het kan wel.” De student vertaalt.

De militair heeft even een moment nodig om deze noviteit te laten bezinken.

Dan maakt de man met de hoed het hem nog moeilijker.

“Ik ben ook christen. En boeddhist. En hindoe.” Dat joodse en ongelovige laat hij maar even achterwege. Hij begrijpt het zelf ook nog niet zo goed, laat staan dat hij het een wildvreemde in een wildvreemde taal kan uitleggen.

Dezelfde voorspelbare reactie: “Dat kan niet. Je kunt niet alles zijn.”

“Jawel hoor. Kan wel. Moeilijk, heel moeilijk zelfs, en kost veel tijd en inspanning. Maar het kan wel.”

De soldaat kijkt hem tegelijkertijd verrast en niet-begrijpend aan. Ook aan de tolk/student is te zien dat dit niet helemaal in hun wereldbeeld past. De man met de hoed begrijpt hun onbegrip wel. Weet niet goed of hij het hier maar bij moest laten en een minder ingewikkeld onderwerp zal aansnijden.

“Wat ik geloof is mijn zaak. Het zit in mijn hart, in mijn hoofd, in mijn geweten, of hoe je het ook maar noemen wilt. Mijn geloof heeft geen naam, en kent geen rituelen. Mijn geloof is nooit helemaal hetzelfde, het zal altijd een beetje veranderen. Morgen is vandaag niet.”

Zin voor zin vertaalt de jongen voor de andere drie. Hij neemt ook de gebaren over, die de man met de hoed bij zijn uitleg gebruikt. Vooral het gebaar voor ‘uit het hart’ herhaalt hij wel drie keer. De militair kan er wel om glimlachen. Of hij het begrijpt weet de man met de hoed niet, maar uit zijn gelaatsuitdrukking meent hij op te kunnen maken dat dit inzicht hem wel bevalt. Nou ja, wishful thinking van zijn kant waarschijnlijk.

Ze schakelen weer terug naar minder complexe zaken; de schoonheid en grootsheid van dit plein en het gebouwencomplex eromheen. Ze vinden elkaar al snel in bewondering voor zoveel moois.

3 brutale vragen:

1.

Dialogen, trialogen, quintologen zelfs; hoeveel gesprekken heb je nodig om nuances te begrijpen? Hm, iets om over na te denken voor een seconde of 10.

2.

Misschien vindt u dit verslag van een van de mooiste pleinen van de wereld wel de moeite waard om door te sturen. Mooi genoeg om het te delen met een andere bewonderaar van schoonheid. Als dat zo is, stuur of vertel het door. Maar alleen als u denkt dat die de schoonheid er ook wel van kan inzien. Anders kunt u het beter voor u zelf behouden.

3.

Misschien, heel misschien is dit verhaal met genuanceerde en minder genuanceerde dialogen u wel een euro waard. Als dat zo is, doneer het aan rekeningnummer NL27 RABO 01389.97.950 in Oisterwijk. Maar alleen als u het een euro waard vindt, hoor. Als het u allemaal veel te ingewikkeld is, bewaar uw euro dan liever voor een eenvoudiger verhaal.

Vriendelijke groet, ton.

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

19 − veertien =